Website van OKBN * ARLIS/NL
p/a Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie,
Postbus 90418, 2509 LK - DEN HAAG - Nederland


Verslag De Omslag!?

Op maandag 12 december 2005 vond het symposium De Omslag!? Vraag en aanbod van kunsthistorisch beeldmateriaal plaats. Het symposium werd georganiseerd door het Overleg Kunst(historische) Bibliotheken Nederland (OKBN*ARLIS/NL) en het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD). Thema was het 'werkmateriaal' van de kunsthistoricus: afbeeldingen van kunstwerken. Onderzoekers, docenten en aanbieders gingen in op kwesties als papier versus digitaal, kwaliteit, vindplaatsen, de wijze van gebruik, copyright, wat is er beschikbaar en hoe zijn deze collecties en databases georganiseerd? Dat er behoefte was aan een dergelijke bijeenkomst bewees de grote opkomst. Meer dan 150 deelnemers, uit tal van gespecialiseerde instellingen waren aanwezig. Zij kwamen luisteren naar zeer diverse sprekers met bij tijden erg uiteenlopende visies.

Dr. Rudi Ekkart (directeur RKD) opende de middag. Hij schetste het historisch kader van het gebruik van beelddocumentatie binnen het kunsthistorisch onderzoek en de rol die het RKD daarin op nationaal en internationaal vlak vervult. Voor 1880 waren kunsthistorici sterk afhankelijk van hun visueel geheugen. Beschrijvende teksten en (eigenhandig gemaakte) schetsjes waren hun werkmateriaal. Na 1880 groeide de foto uit tot een onmisbaar hulpmiddel in de praktijk van het kunsthistorisch onderzoek. Foto's zijn complementair aan de vakliteratuur en ideaal om werken met elkaar te vergelijken. Bovendien zijn de opnamen vaak beter van kwaliteit dan illustraties in publicaties. Ze vormden ook een bron voor werken die niet ter plekke konden worden bestudeerd. In dat opzicht fungeren zij als een bruikbaar surrogaat. Foto- en reproductieverzamelingen zijn in de loop van de twintigste eeuw dan ook een essentieel onderdeel geworden van het kunsthistorisch apparaat. De ontwikkeling van technisch fotomateriaal, zoals röntgenopnamen en infrarood-reflectografieën, maakten geavanceerd kunsthistorisch onderzoek mogelijk.
De beeldcollecties van particuliere verzamelaars in de 19de eeuw vormden de basis voor de grote institutionele collecties in de 20e eeuw. Een van de eerste verzamelaars was Robert Witt (1872-1952). Zijn verzameling staat nu bekend als de Witt Library van het Courtauld Institute in Londen. Henry Clay Frick (1849-1919) verzamelde wat nu de wereldvermaarde Frick collection is in New York. Twee belangrijke Nederlandse verzamelaars waren Cornelis Hofstede de Groot (1863-1930) en Frits Lugt (1884-1970). Delen van hun beider collecties vormden samen met onder andere die van Max J. Friedländer (1867-1958) de basis van de collectie van het RKD. Na de Tweede Wereldoorlog groeiden de verzamelingen van onafhankelijke instellingen zoals het Getty Research Institute, van musea en van universiteiten bijzonder snel. Deze groei nam in de zestiger jaren af als blijkt dat deze verzamelingen arbeidsintensief - dus duur - in het onderhoud zijn.
De opkomst van de automatisering dwong de documentatie-instellingen tot een herbezinning op hun rol, werkwijze en taakverdeling op het terrein van beeldmateriaal. In Nederland was aanvankelijk een hoofdrol weggelegd voor het Iconografisch Bureau. Deze afdeling ging later op in het RKD, door Ekkart op deze dag zelf omschreven als 'de grote usurpator'. In 1987 startte het RKD met de automatisering van hun metadata in diverse bestanden zoals het beeldbestand RKDimages en het namenbestand RKDartists. In 1995 konden de eerste bestanden van het RKD online worden geraadpleegd. Naast het belang van een goede geautomatiseerde ontsluiting wees Ekkart ook op het belang van samenwerking met andere instellingen op internationaal niveau. Dat dergelijke samenwerking niet altijd zonder risico is, bewees het ambitieuze Van Eyck project van enkele jaren geleden. Het doel van het project - een samenwerking van het RKD en de Witt Library - was om een geïntegreerde toegang te bieden tot diverse heterogene beelddatabanken. De mislukking van dit project, dat na jaren van grondige voorbereiding een jaar na de lancering de boeken alweer diende te sluiten, wijdt Ekkart nu aan de te hoge exploitatiekosten. Ook bleek volgens zijn zeggen dat er op het moment van bekendmaking een te beperkt aantal instellingen hun beeldmateriaal al had gedigitaliseerd waardoor er te weinig relevante inhoud kon worden aangeboden. Ekkart sloot af met de opmerking dat een goede foto in zijn ogen nog altijd beter is dan een digitaal beeld en hij waarschuwde om bij vernieuwingen niet te snel iets goed weg te gooien ten gunste van iets onzekers.

Dr. Marten Jan Bok (hoofddocent Kunstgeschiedenis van de Nieuwere Tijd aan de Universiteit van Amsterdam) was één van de twee wetenschappelijk medewerkers die tijdens de themamiddag aan het woord kwamen. Hij omschreef het standpunt van de onderzoeker kernachtig als 'zoeken, vinden, publiceren' en benadrukte de winst die de onderzoeker daarbij boekt door de digitale beschikbaarheid van afbeeldingen. Tijdwinst bijvoorbeeld, tijd die beter gebruikt kan worden voor onderzoek. Toch kleven er nadelen aan de beschikbaarheid van afbeeldingen op het internet. "Googlen" levert een bulk aan materiaal op, maar doorgaans versterkt dit aanbod de bestaande canon en levert het voor minder bekende kunstenaars weinig bruikbaars op. Daarvoor kunnen beter de indexen op veilinggegevens (Artprice e.a.), sites van veilinghuizen (Sotheby e.a.) of academische beeldbestanden (CAMIO e.a) worden gebruikt. Ook nationale initiatieven, zoals het Franse JOCONDE zijn in dit kader van groot belang. Een van de belangrijkste punten ter verbetering van deze beeldbestanden ligt in het realiseren van zoekmogelijkheden met woord-beeld relaties, bijv. met Iconclass, of van mogelijkheden om afbeeldingen geautomatiseerd op kleur, compositie, stijl of motieven te vergelijken. Het was interessant dat hij daarbij op het belang van de interface van databases wees. Deze voldoet inderdaad (nog) niet aan de vereisten van wetenschappers om tot vruchtbaar onderzoek op deze gebieden te komen. Een betere beschikbaarheid van zorgvuldig ontsloten afbeeldingen zou dus de productiviteit van de kunsthistorische onderzoekers aanzienlijk kunnen vergroten.
Bij het gebruik van gegevensbestanden wordt de onderzoeker regelmatig gefrustreerd door de juridische beperkingen die ook gelden bij het academische gebruik van afbeeldingen. Afbeeldingen zijn niet beschikbaar (vooral bij werk van moderne kunstenaars) of ze zijn alleen in een lage resolutie te bekijken of voorzien van watermerken. Dit allemaal om de legitieme rechten van de maker, bezitter of de fotograaf te beschermen. De administratieve regelingen op dit terrein kosten de onderzoekers nodeloos veel tijd en verschaffen werk aan de verkeerde mensen. Beeldrecht baseert zich op het artistieke eigendomsrecht van de reproductie. Men kan zich afvragen wat dat eigenlijk inhoudt. In de USA is dit begrip al met succes aangevochten. In Europa echter nog niet. Bok hield een pleidooi voor het vrij educatief gebruik van met beeldrecht beschermde afbeeldingen. De huidige enge interpretatie van beeldrecht belemmert het wetenschappelijk onderzoek. Enkel een politieke oplossing, bij voorkeur op Europees niveau, lijkt haalbaar. Bok besloot met een lichtpuntje: het Rijksmuseum is van plan om op haar website digitale afbeeldingen van goede kwaliteit gratis beschikbaar te stellen voor niet-commercieel gebruik. Na afloop van deze lezing ontspon zich een discussie of het al dan niet nuttig zou zijn om een proefproces uit te lokken om de discussie over dit onderwerp te stimuleren.

Drs. Rieke van Leeuwen (conservator Kunsthistorische Databases bij het RKD), gaf een overzicht van de op het internet beschikbare beeldbestanden en onderstreepte daarbij het belang van kunsthistorische beelddocumentatie. Zij onderscheidde drie verschillende soorten bestanden, de simpele waarbij een plaatje vergezeld gaat van een korte beschrijving, de bestanden waarin collectieregistratie het doel is en de mengvormen. Enkele belangrijke kunsthistorische bestanden die in haar overzicht aan bod kwamen waren de fotocollectie van het Belgische Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-IRPA), het Franse JOCONDE, Foto Marburg uit Duitsland en RKDimages. Van Leeuwen noemde een aantal punten waarop de bestanden onderling vergeleken kunnen worden, zoals de omvang van het bestand, de samenstelling, welke gegevens worden opgenomen, hoe zit de structuur van het bestand in elkaar en op welke wijze kan er gezocht worden? RKDimages biedt door de opgenomen informatie en de vele zoeksleutels die worden aangeboden interessante zoekmogelijkheden voor kunsthistorici. Een van de toekomstige ontwikkelingen in RKDimages zal het registreren van toewijzingen worden. Ook de openstelling van de zoekingang collectieplaats en collectioneur (momenteel nog afgeschermd in de online database) staat op de planning. Zo zal het mogelijk zijn om de herkomst van particuliere eigendommen na te gaan. Met deze aankondigingen legde Van Leeuwen ook de vinger op een pijnlijke plek: hoe groter een bestand hoe meer tijd, zowel absoluut als relatief, er gaat zitten in het onderhoud er van.

Dr. Annemieke Hoogenboom (docent/onderzoeker Kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht) ging in op het gezichtspunt van de docent. Zij betoogde dat een speciale beeldbank voor onderwijsdoeleinden niet nodig is. Docenten kunnen zich prima redden met de bestaande technische mogelijkheden. Zij vergeleek, op de haar kenmerkende wijze, een college van enkele jaren terug dat was voorbereid met dia's, met een soortgelijk recent college dat met PowerPoint was voorbereid. Het verzamelen van afbeeldingen die zij zelf niet beschikbaar heeft, gaat in het laatste geval veel vlotter. Zoekacties op internet of in gespecialiseerde beeldbestanden en het scannen van afbeeldingen die dan nog ontbreken, levert snel resultaat op. PowerPoint biedt bovendien de mogelijkheid om teksten toe te voegen, twee kunstwerken in verhouding met elkaar te tonen of compositielijnen aan te brengen. Ook is het eenvoudig om andere afbeeldingen dan van kunstvoorwerpen op te nemen, zoals plattegronden, situatieschetsen of topografische afbeeldingen. Vooral dit soort afbeeldingen zal niet zijn opgenomen in een kunsthistorische beeldbank. Volgens haar ligt aan het pleidooi voor educatieve beeldbanken een denkfout ten grondslag. Het gaat niet op om dia's gewoon te vervangen door een beeldbank. Door het gebruik van onder meer PowerPoint heeft een docent veel meer mogelijkheden. Hij/zij kan inhoudelijk rijkere colleges aanbieden dan voorheen. Als een fractie van het geld dat vroeger beschikbaar was voor diacollecties door docenten gericht ingezet zou kunnen worden voor onderzoeksprojecten dan zouden zij daarmee beter geholpen zijn dan met een kostbare beeldbank. Bovendien zou deze nooit meer dan een deel van de benodigde afbeeldingen kunnen leveren. Over beeldrecht maakt zij zich niet druk, net zomin als voorheen bij het laten maken van dia's.

Max Marmor (Director of Collection Development bij ARTstor) logenstrafte de uitspraak van de vorige spreekster meteen. Volgens hem is er wel degelijk behoefte aan een beeldbestand met afbeeldingen van kunstvoorwerpen. Zijn belangrijkste argument daarbij was dat van arbeidsbesparing: waarom zouden honderden docenten dezelfde afbeelding (laten) digitaliseren als één keer voldoende is? Het doel van ARTstor is om met digitale technieken het onderwijs en onderzoek binnen kunstgeschiedenis en verwante vakgebieden te stimuleren. Daartoe biedt ARTstor verschillende beeldcollecties aan die samen een breed overzicht van de kunstgeschiedenis bieden maar tegelijkertijd voldoende diepgang hebben. De honderdduizenden afbeeldingen worden aangeboden in een stabiele omgeving waarbij geavanceerde software de overgang van dia's naar afbeeldingen voor de docenten vergemakkelijkt. Enkele functies die het bestand biedt, zijn: personalisatie, het toevoegen van eigen afbeeldingen en linken vanuit elektronische leeromgevingen, zoals Blackboard, e.a. naar selecties die door de docent zijn gemaakt. Daarnaast is ook software beschikbaar voor offline presentaties. ARTstor is een succesverhaal. Het werd in 1999 als een non-profit offspin van JSTOR opgestart door de Andrew W. Mellon Foundation en kende onmiddellijk succes. Het is ondertussen beschikbaar in meer dan 500 onderwijs- en onderzoeksinstellingen in de Verenigde Staten en Canada. Komend jaar zal het bestand worden geïntroduceerd in het Verenigd Koninkrijk waarna verdere beschikbaarheid binnen Europa is gepland. Een belangrijk vertragend aspect daarbij is het verschil in copyright regelingen ten aanzien van beeldrecht binnen de verschillende landen van de Europese Gemeenschap.

Dr. Gert Jan van der Sman (onderzoeker en bibliothecaris van het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence - NIKI) onderstreepte het belang van bestaande fotoverzamelingen. Hij wees daarbij in eerste instantie op de kwaliteit van de opnamen, maar misschien nog belangrijker zijn de bijgevoegde annotaties (zoals toeschrijvingen of eigendomsgegevens) én het feit dat een foto een historische situatie weergeeft die in de loop der jaren drastisch kan zijn veranderd. Daarnaast biedt een goede ontsluiting van een iconografische verzameling, bij voorkeur via Iconclass, een meerwaarde. Het aanbod van professioneel ontsloten beeldmateriaal is immers nog altijd uiterst beperkt. Internationaal spelen echter steeds meer musea, universiteiten en onderzoekinstituten in op de behoeften in het veld. Het NIKI is onlangs begonnen met de integrale digitale ontsluiting van drie fotoarchieven waaronder de verzamelingen van Hermann Georg August Voss (1884-1969) en van Benedict Nicolson (1914-1978). Het project wordt financieel ondersteund door NWO vanwege het unieke en complementaire karakter van de fotocollecties, de meerwaarde van digitalisering die hoogwaardig onderzoek mogelijk maakt voor een brede doelgroep en de inbedding van het project in het internationale onderzoeksveld.
Van der Sman hield tot slot een pleidooi voor empirisch onderzoek, zowel op het vlak van onderwijs als van onderzoek. Hij betreurde dat er binnen het Nederlandse universitaire onderwijs te weinig gebruik wordt gemaakt van beeldmateriaal voor didactische doeleinden. Door gericht en actief gebruik van beeldbestanden ontwikkelt men een scherper oog en scherper inzicht in de status van toeschrijvingen. Hij sprak ook de hoop uit dat Nederlandse collecties behouden blijven en indien relevant op termijn ook gedigitaliseerd.

Het einde van de middag werd onder grote tijdsdruk gehaald. Tijdens de tweede lezing was het alarm voor een ontruimingsoefening in het KB-complex afgegaan. Ondanks een oponthoud van meer dan drie kwartier slaagde dagvoorzitter Geert-Jan Koot (hoofd bibliotheek Rijksmuseum in Amsterdam) er toch in om op heldere wijze een aantal belangrijke punten aan te stippen die in de lezingen naar voren waren gebracht. Allereerst is daar natuurlijk de kwestie van samenwerking én van kwaliteit: één keer goed digitaliseren en goed beschrijven neemt veel andere instellingen werk uit handen. Daarnaast zouden goede beschrijvingen gecombineerd met flexibele software het mogelijk moeten maken om op zaken zoals kleur, motieven, compositie, etc. te kunnen zoeken. Zo zouden kunsthistorici nieuwe wetenschappelijke mogelijkheden kunnen verkennen. Vervolgens onderstreepte de dagvoorzitter het prangende belang van inzicht in de copyrightproblematiek waar alle informatieprofessionals vroeg of laat mee te maken krijgen. En tot slot verwees hij naar de toegenomen flexibiliteit van softwaresystemen waarbij de ontwikkeling van gedistribueerde P2P systemen zelfs de gebruikers op afstand de mogelijkheid geven om samen te werken binnen één systeem, onder meer door het gezamenlijk indexeren van afbeeldingen ('tagging').
Al bij al bleek deze namiddag een groot succes, met een talrijke opkomst en een geïnteresseerd en betrokken publiek. Als er al iets betreurd kan worden, dan is het dat over de soms zeer uiteenlopende meningen van de sprekers niet verder gediscussieerd kon worden. Het tijdsgebrek door de onverwachte ontruimingsoefening was daar zeker debet aan. Misschien kunnen de gesprekken verder worden gezet op de bijeenkomst die het Overleg Kunstbibliotheken Vlaanderen (OKBV) in navolging van dit symposium organiseert. Op 3 februari 2006 vindt in Brussel een studiedag plaats onder de titel "Toegankelijk maken van iconografische en documentaire bronnen: projecten in de kunsten'. Want dat dit onderwerp nog volop in ontwikkeling is, dat is zeker.

Roman Koot, Saskia Scheltjens, Martien Versteeg

Top



Laatst bijgewerkt: 30 januari 2006